Uit: ‘Hoogbegaafd, wat betekent dat?’, uitg. Vereniging Mensa Nederland, 1993

 

Hoofdstuk 6

Neurologische aspecten van begaafdheid

© Karel Jurgens 1993

 

Bestaat er een aantoonbaar verschil tussen hoogbegaafden en ‘normale’ mensen? Kunnen we bijvoorbeeld met recht vragen om extra aandacht voor hoogbegaafde kinderen, of zijn we dan ouders die proberen hun kinderen over het paard te tillen? Echt een onderwerp waarvoor je op het puntje van je stoel gaat zitten!

Hoe graag ik ook zou willen, ik heb op het congres geen bijdragen gehoord die deze vraag voor eens en altijd beantwoorden. Wel wordt er de laatste jaren steeds meer fundamenteel onderzoek naar de kenmerken van hoogbegaafdheid gedaan. Een voorbeeld daarvan werd gegeven door professor Berché Cruz uit Barcelona. In zijn onderzoek probeert hij relaties te leggen tussen bepaalde neurologische kenmerken en vaardigheid in het uitvoeren van bewegingstaken.
Berché Cruz vond een verband tussen hoge activiteit en een hoog metabolisme (stofwisselings­niveau) enerzijds, en perfectionisme en gevoeligheid anderzijds. Met andere woorden: perfectionisme hoeft geen aangeleerd gedrag te zijn, zoals vaak wordt verondersteld; het kon wel eens zijn dat het van binnenuit komt. Helaas bleek dit resultaat wetenschappelijk nog niet erg sterk onderbouwd te zijn. Het wachten is op vervolgonderzoek.

Quantified Electroencaphalography

Een andere manier om de relatie tussen neurologie en gedrag te onderzoeken werd gepresenteerd door WCGTC-voorzitter Norah Maier. Zij onderzocht de veranderingen in het EEG gedurende de uitvoering van verschillende intellectuele taken.
Uitgangspunt is dat er verschillende vormen van elektrische activiteit in de hersenen bestaan die gemeten kunnen worden met elektroden op de hoofdhuid. Deze metingen geven een soort optelsom van alle hersenactiviteit in het gebied tussen de elektroden. In bepaalde situaties treden duidelijke golfpatronen op die naar gelang hun frequentie worden ingedeeld in verschillende groepen. Van langzaam naar snel onderscheidt men delta- (<4 Hz.), thêta (4-8 Hz.), alpha (8-12 Hz.) en bèta (12-20 Hz.). In rust treden meer langzame golven op, bij toenemende activiteit meer snelle.
Maier vergeleek de EEG's van twee groepen kinderen van 10-12 jaar (6 hoogbegaafden met leermoeilijkheden en 7 hoogbegaafden die hoog presteerden), met een controlegroep van leeftijdgenoten. Zij maakte daarvoor gebruik van een geavanceerde techniek, genaamd Quantified Electroencephalography (QE). Hierbij worden 20 elektroden volgens een gestandaardiseerd patroon verspreid op het hoofd geplakt. Een computer geeft grafisch weer hoeveel van elk soort golven op elke meetplaats in de hersenschors optreedt. Dit levert prachtige gekleurde plaatjes op waarop de verschillen tussen de testgroepen heel duidelijk zijn te zien.
De resultaten die Maier toonde bevestigen de tot dusver bekende theorie: in rust meer langzame golven, bij activiteit meer snelle. Ook was goed te zien waar de activiteit plaatsvond.
De vergelijking waar het om begonnen was leverde enkele interessante resultaten op: de ‘hoogbegaafde presteerders’ vertoonden minder delta-activiteit tijdens het uitvoeren van de taken dan de controlegroep, de hoogbegaafden met leermoeilijkheden juist meer (al was dit laatste verband niet sterk). Het EEG van de ‘presteerders’ vertoonde meer overeenkomst met dat van jong volwassenen dan met dat van leeftijdgenoten. Dit zou kunnen duiden op een vroegere rijping van de hersenen bij hoogbegaafden. Het minder optreden van langzame activiteit zou ook kunnen betekenen dat er efficiŽnter gewerkt wordt in het betreffende hersengebied.

Deze interessante resultaten vormen nog maar het begin van een geheel nieuwe tak van onderzoek, aldus Norah Maier. Laat ze er maar gauw mee verder gaan!